Artikel 8 EVRM

Een advocaat behandelt natuurlijk allerlei verschillende zaken. Veel van die zaken hebben alleen belang voor de partijen die procederen. Maar sommige zaken hebben veel meer gevolgen. Het is al meer dan 10 jaar geleden, maar de onderhavige zaak heeft echt praktisch effect gehad.

Ik stond een man bij die een paar jaar samen was geweest met zijn vriendin, ze waren niet getrouwd en ze kregen één kind. De man wilde graag het ouderlijk gezag uitoefenen over dit kind. Zijn ex-vriendin was het daar niet mee eens. In de wet was toen nog niet de mogelijkheid opgenomen dat de vader een verzoek kon doen om het gezamenlijk gezag over het kind te krijgen. Dat kon destijds alleen op gezamenlijk verzoek van de vader en de moeder. Door mij werd een verzoek ingediend bij de kantonrechter om mijn cliënt het gezag over het kind te laten uitoefenen. Het verzoek werd afgewezen. In hoger beroep heb ik verzocht om hem het gezamenlijk gezag toe te kennen, samen met de moeder. Ik heb mij er toen op beroepen dat in de wet weliswaar niet de mogelijkheid was opgenomen om als vader te vragen om het gezamenlijk gezag (dus zonder de instemming van de moeder), maar dat deze wetsbepaling in strijd was met artikel 8 EVRM.

Artikel 8 EVRM bepaalt dat het privéleven en gezinsleven van burgers moet worden beschermd. Het EVRM is een Europees Verdrag, maar is van toepassing op een veel grotere groep landen dan alleen de landen van de Europese Unie. Ook landen die geen lid zijn van de EU, zoals Zwitserland, Rusland en Turkije hebben zich namelijk aangesloten bij dit verdrag. Het verdrag heeft directe toepassing. Dat betekent dat deze landen ervoor moeten zorgen dat de grondrechten die in het verdrag geregeld zijn, ook daadwerkelijk gewaarborgd worden. Bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat de wetten in overeenstemming zijn met deze grondrechten. Ook is nog bepaald in artikel 6 EVRM dat burgers recht hebben op een adequate toegang tot de rechter om hun rechten, zoals bijvoorbeeld het recht van artikel 8 EVRM te beschermen.

Het gerechtshof in Arnhem verklaarde mijn cliënt niet-ontvankelijk in zijn verzoek om gezamenlijk gezag. Het hof oordeelde dat de wet nu eenmaal geen mogelijkheid bood om het gezamenlijk gezag aan te vragen als vader, die niet gehuwd was met de moeder van het kind. Maar de Hoge Raad, de hoogste rechter, vond dat het verzoek van mijn cliënt (hij werd inmiddels bijgestaan door een advocaat die gespecialiseerd is in cassatie) wel inhoudelijk beoordeeld moest worden. Want gezag van een ouder gaat over de uitoefening van ouderlijke rechten. En die worden beschermd door het EVRM. De Nederlandse wet schoot dus tekort. Er was niet de mogelijkheid in de wet opgenomen dat vader alleen kon vragen om het gezamenlijk gezag over zijn kind. De zaak werd verwezen naar het gerechtshof in Den Bosch. Dat hof oordeelde dat mijn cliënt inderdaad recht had op het gezamenlijke gezag, ook al was moeder het er niet mee eens.

De uitspraak is verschenen in allerlei juridische vaktijdschriften. Het was bijzonder omdat de Hoge Raad eigenlijk had gezegd: de wet klopt niet. Ondertussen was de wetgever al bezig om de wet aan te passen. Nu biedt artikel 1:253c BW de mogelijkheid om als vader te vragen om het gezamenlijk gezag.

U kunt de uitspraak vinden via deze link: Hoge Raad 27 mei 2005.

 

 

Reageren gesloten.